De Joodse jongen Andor groeit op in het Boedapest van 1957, in de schaduw van de Hongaarse revolutie, samen met zijn stoïcijnse moeder Klára. Hij is door haar grootgebracht met het ideaalbeeld van zijn vader Hirsch en al elf jaar wacht hij op een man die hij nauwelijks gekend heeft. Andors leven wordt op zijn kop gezet door de komst van Berend Mihály, een ruwe man van het platteland. Hij lijkt gelinkt te zijn aan het mysterieuze verleden van Klára tijdens de Tweede Wereldoorlog en beweert zijn vader te zijn.